'Wie zegt dat alleen de rijke en machtige landen het voor het zeggen hebben?'

Door grote bomen zie je soms het bos niet meer. Zonde, want de kleinere struiken zijn soms best het observeren waard. Janez Kocijancic, voorzitter van het Europees Olympisch Comitee, spreekt op de Spelen van de Kleine Staten van Europa, de grote jongens toe. “Als zij komen met hun capaciteit, kun je de kleintjes niet meer zien. Door onze krachten te bundelen laten wij onszelf zien.”

 

En net zoals je voorbij de grote bomen kunt kijken om de andere, kleinere flora te zien, die soms net zo mooi en in ieder geval op een andere manier groeit en bloeit, zo kun je op het evenement in Montenegro ook zien hoe landen als Liechtenstein en Andorra (en nog 7 andere landen) zich op sportgebied presenteren. Kijk niet alleen naar Europese Spelen, die in eind juni in Minsk worden gehouden, maar ook naar de Games of the Small States of Europe (GSSE), die op vijf verschillende plaatsen in Montenegro worden georganiseerd.

Op het evenement zijn de hoge bomen weggesnoeid. “Hier kunnen we op gelijke basis met gelijke middelen tegen elkaar strijden”, zegt Kocijancic. “In grote competities worden deze landen vaak genegeerd en kunnen ze niet meekomen met het niveau. In samenwerking zit de kracht van deze ‘kleintjes’.”

 

“Daarbij werkt het in ons voordeel dat we geen expansiedrift hebben en dat we geen enkele ambitie hebben om te boel te domineren.” Waarmee de voorzitter maar wil zeggen dat politieke spelletjes en gekonkelefoes over invloed een minder grote rol spelen. “Grote landen kunnen daar best een voorbeeld aan nemen, misschien kunnen zij zich wat nederiger opstellen.”

 

Kocijancic benadrukt dat hij niets tegen de grote landen heeft. Het maakt Europa tot een krachtig werelddeel. De Sloveen uit zich als een ware Europeaan, alsof hij lijsttrekker is van een pro-Europese politieke partij. “Europa is een prachtig continent, met hele grote landen als Rusland, rijke en ontwikkelde landen als Nederland en armere landen. Samenwerking leidt tot meer democratie en misschien wel tot een groter Europees idee. Wie zegt dat alleen de rijke en de machtige landen het voor zeggen hebben?”